Klaarzin
Rainer M. Rilke
1875 - 1926
Wintermorgen
Der Wasserfall ist eingefroren,
die Dohlen hocken hart am Teich.
Mein schönes Lieb hat rote Ohren
und sinnt auf einen Schelmenstreich.
Die Sonne küßt uns. Traumverloren
schwimmt im Geäst ein Klang in Moll;
und wir gehn fürder, alle Poren
vom Kraftarom des Morgens voll.
Larenopfer ca. 1895
Winterochtend
De waterval is vastgevroren,
stijf hurken de kauwen bij de poel.
Mijn mooie lief heeft rode oren
en zint op een schelmenstreek.
Het zonlicht kust ons en verdroomd
zweeft een mineurklank door de takken;
en wij gaan verder, alle poriën
vol met sterk aroma van de ochtend.
