logo menu links
logo Klaarzin
logo menu rechts

Prometheus

Prometheus

Bedecke deinen Himmel, Zeus, 
Mit Wolkendunst,
Und übe, dem Knaben gleich,
Der Disteln köpft,
An Eichen dich und Bergeshöhen.
Musst mir meine Erde
Doch lassen stehn
Und meine Hütte, die du nicht gebaut,
Und meinen Herd,
Um dessen Glut
Du mich beneidest.

Bedek je hemel, Zeus,* God
met wolkennevel
en leef je, als de knaap
die distels topt,
op eiken uit en bergtoppen;
Je moet mijn aarde
toch wel laten staan,
en mijn hut, niet door jou gebouwd,
en mijn haard,
om welks gloed
jij mij benijdt.

Ich  kenne nichts Ärmeres
Unter der Sonn' als euch, Götter!
Ihr nähret kümmerlich
Von Opfersteuern
Und Gebetshauch
Eure Majestät,
Und darbtet, wären
Nicht Kinder und Bettler
Hoffnungsvolle Toren.

Ik* Prometheus ken niets armoedigers
onder de zon dan jullie, goden!
Jullie voedt armzalig
met offerlasten
en gebedslucht
je majesteit,
en hongert, alsof niet
kinderen en bedelaars
hoopvolle dwazen waren.

Da ich ein Kind war,
Nicht wusste wo aus noch ein,
Kehrt' ich mein verirrtes Auge
Zur Sonne, als wenn drüber wär'
Ein Ohr, zu hören meine Klage,
Ein Herz, wie mein's,
Sich des Bedrängten zu erbarmen.

Toen ik een kind was,
niet wist van voor of achter,
sloeg ik mijn misleide oog op
naar de zon, alsof daarboven
een oor was, om mijn klagen te horen,
een hart, als het mijne,
om zich over het benarde te ontfermen.

Wer half mir
Wider der Titanen Übermut?
Wer rettete vom Tode mich,
Von Sklaverei?
Hast du nicht alles selbst vollendet,
Heilig glühend Herz?
Und glühtest jung und gut,
Betrogen, Rettungsdank
Dem Schlafenden da droben?

Wie hielp mij
tegen de overmoed van titanen?
Wie redde mij van de dood,
van slavernij?
Heb jij niet alles zelf volbracht,
heilig gloeiend hart?
Dankte jij niet jong en goed,
gloedvol maar bedrogen, je redding
aan de slapende daarboven?

Ich dich ehren? Wofür?
Hast du die Schmerzen gelindert
Je des Beladenen?
Hast du die Tränen gestillet
Je des Geängsteten?
Hat nicht mich zum Manne geschmiedet
Die allmächtige Zeit
Und das ewige Schicksal,
Meine Herrn und deine?

Ik jou eren? Waarvoor?
Heb jij ooit verzacht
de smarten van de verdrukten?
Heb jij ooit gestild
de tranen van de beangstigden?
Heeft mij niet tot man gesmeed
de almachtige tijd
en het eeuwige lot,
mijn heren en die van jou?

Wähntest du etwa,
Ich sollte das Leben hassen,
In Wüsten fliehen,
Weil nicht alle
Blütenträume reiften?

Dacht jij soms
dat ik het leven moest haten,
de woestijn in vluchten,
omdat niet alle
bloesemdromen uitkwamen?

Hier sitz' ich, forme Menschen
Nach meinem Bilde,
Ein Geschlecht, das mir gleich sei,
Zu leiden, zu weinen,
Zu genießen und zu freuen sich,
Und dein nicht zu achten,
Wie ich!

Johann Wolfgang von Goethe 1749 - 1832
Het gedicht is geschreven tussen 1772 en 1774.
In de Griekse sage daagt Prometheus de goden uit.


stem: Burghart Klaußner


Hier zit ik*,God, niet Prometheus vorm mensen
naar mijn evenbeeld,
een geslacht1 dat mij niet deert
te lijden, te wenen,
te genieten en blij te zijn,
en dat van jou2 niet te achten,
zoals ik!

1 het mensengeslacht
2 het godengeslacht

vertaling © Klaarzin 2021





Creative Commons-Licentie
Vertalingen van © Klaarzin vallen onder een Creative Commons-licentie.
Het gebruik van die vertalingen is daarom vrij en gratis,
mits de naam "Klaarzin" wordt vermeld en het gebruik niet-commercieel is.
geen cookies
Deze webstek is niet gebouwd voor smartphones.